Liften

Na enig liftwerk ben ik in Tilff aangekomen, vlakbij Luik, maar een stuk schoner. Dat kan ook bijna niet anders, want in Luik, normaal al een onsmakelijke stad, staken de vuilnisophalers en bij het doorkruisen van de stad zag ik overal grote hopen afval waarin beesten bewogen. Zoniet hier, het ziet er hier schoon en fris uit. Ik loop naar een bankje zonder verder op de omgeving te letten, dat komt later wel, eerst eten. Het valt mij altijd zwaar nieuwe gebieden te verkennen op een lege maag. Ik ga zitten en graai in een zijvakje van mijn rugzak. Ik vind bierworstjes. Ik pak er een en begin er op te kauwen. Nog voor ik de eerste hap heb doorgeslikt merk ik dat ik vergeten ben het plastic van de binnenverpakking eraf te halen. Dit is in het geheel niet te wijten aan mijn verstrooidheid, het plastic is doorzichtig en volgt nauwkeurig de vorm en structuur van het worstje. Eigenlijk zou men het plastic een rare kleur moeten geven of het bedrukken met waarschuwende teksten. Ik spuug de boel uit en gooi de rest weg. Jaren zal ik geen bierworstjes meer eten.

Het bankje waarop ik zit staat aan de rand van een kinderspeelplaats, misschien wel om ouders de gelegenheid te geven vanuit een comfortabele positie hun ravottende kroost vermanend toe te schreeuwen. Het is een luxe speelplaats, van het soort dat je in Nederland alleen in pretparken vindt: rond een oude beuk rijden op een betonnen circuit elektrisch aangedreven race-autootjes met kleuters erin, die veel lol hebben en walgelijk veel lawaai maken. In een van de snelleren bolides zit een meisje met lang, blond haar dat om de twee à drie rondjes met een donderende knal tegen de beuk rijdt, waarna haar fraai gelijnde moeder zigzaggend tussen de overige weggebruikertjes door te hulp schiet en het autootje weer recht zet. Dit herhaalt zich een paar keer totdat de moeder er genoeg van krijgt en het kind, dat prompt hoofdpijnverwekkend begint te krijsen, aan een arm uit het autootje trekt. Samen verdwijnen ze, het kind schreeuwend, de moeder mopperend. Ik kijk de andere kant op en zie een joch juichend naar een schommel lopen. Ik sta op en begin hem te duwen, tot ongenoegen van zijn moeder die met in elke hand een zware boodschappentas argwanend toekijkt. Ik glimlach vriendelijk naar haar om mijn ongeschoren uiterlijk te compenseren en geef het kind een laatste duw. Tijd om rond te gaan kijken. Ik til mijn rugzak op mijn rug en loop weg.

Na een korte wandeling kom ik op een plek waar twee rivieren samenkomen, altijd goed voor een fraaie aanblik. Terwijl ik de mooie symboliek van dit vloeibare samengaanoverpeins duikt er een man naast me op.

"Mooi hè?", zegt hij, en zijn houding doet vermoeden dat een ontkennend antwoord lichamelijk letsel op zal leveren. Hij staat op zijn tenen en buigt zich iets over mijn niet overdreven lengte heen zodat zijn hoofd zich boven het mijne bevindt. Daar houd ik iet van en ik geef hem een duwtje zodat hij weer op zijn hakken terecht komt.

"Ja", zeg ik. Tevreden biedt hij me een biertje aan. Dat sla ik niet af. Soms biedt het spreken van de waarheid voordeeltjes. We lopen naar een café met een terras aan de samengestelde rivier, die Ourthe blijkt te heten, althans volgens de man die nog niet uitgepraat is over het plaatselijke natuurschoon. We gaan zitten en hij bestelt twee bier. Tevreden zak ik zover onderuit als het ontwerp van mijn stoel toelaat en kijk over de rivier. De man zit me op te nemen maar ik negeer hem. Er zwemt een hond in de rivier die eenden probeert te vangen. Telkens als hij een eend nadert vliegt de eend op om een paar meter verderop verder te dobberen alsof er niet gebeurd is. De vermoedelijke eigenaar van de hond staat zich op de andere oever schor te schreeuwen, in het Frans nog wel, maar de hond blijft hardnekkig jagen. Als hij eindelijk de wal op krabbelt krijgt hij een tik met zijn riem. Die zwemt de volgende keer naar deze oever, bedenk ik, en ik wend mij tot de biergever die iets zegt.

"Wat zegt u?", vraag ik. Of ik student op doorreis ben.

"Ja", zeg ik. Ik neem een slok van het bier en staar verder. De man drinkt mee. Na enig tijd wend ik me weer tot hem en vraag wat het doel van dit alles is.

"Hoe bedoelt ge?", vraagt hij.

"Laten we elkaar geen mietje noemen,", zeg ik, hopend dat deze uitdrukking in deze streek niet bekend is, "biedt u iedere toerist een biertje aan?".

"Nee, nee", zegt hij, "maarreh, wilt ge iets verdienen?". Aha.

"Nee, dank u", zeg ik beleefd en staar weer verder over de rivier. Uit mijn ooghoeken zie ik de man weggaan. Gelukkig heeft hij het bier al betaald.

Weemoed overvalt mij. Ik vraag me af wat Clarissa aan het doen is. Un amour insatisfait, zoals een vriend het kort weergaf. Misschien ligt ze wel in Zuid-Frankrijk aan het strand naast een verzameling overdreven geproportioneerde spierbundels met blikkergebit, tevens eigenaar van een duur motorvoertuig, hoewel, volgens de laatste berichten was het een kalende pilsliefhebber. Niet dat ik haar leven via het roddelcircuit probeer te volgen, integendeel, maar juist als je iemand probeert te vergeten krijg je van alle kanten informatie under the mistaken apprehension dat je daarom zit te springen.

Belachelijk gedenk, ik ken veel sympathiekere vrouwen. Ik breek mijn gedachtengang af en krijg de rivier weer scherp op mijn netvlies. Ik drink mijn glas leeg en sta op. Ik denk dat ik maar naar Nice lift, dat is net zo'n goede bestemming als elke andere. Een drukke stad met veel mensen, misschien dat daar aangename personen te vinden zijn. Meer mensen geeft een grotere kans op een leuke ontmoeting, toch? Vannacht lift ik door, dat kan heel goed in Frankrijk en elke poging tot slapen draait de laatste tijd toch alleen maar uit op rusteloos woelen, en niets is zo lastig als woelen in een slaapzak.

"Slecht weer hè", zeg ik tegen een slager die tegen zijn winkel leunt.

"Ja, frisjes", zegt hij. Ik loop door, want ik heb verder niets te zeggen. Het is maar goed dat ik alleen op weg ben.


Fijne liftplek, niet om snel en ver meegenomen te worden maar wel om te staan. Het is donker en ik sta onder een lantaarn opdat men mij kan zien. Het is hier warm en drukkend, precies zoals ik het graag heb, hier wil ik wel een uurtje staan. Ik til mijn liftbordje op de juiste hoogte en hoek, niet omdat er een auto aan komt maar omdat ik er dan niet meer aan hoef te denken. Af en toe komt er een auto langs, in de verte kan ik ze zien aankomen en ik zou ze heel ver kunnen nakijken als ik zou willen. Maar dat doe ik niet, mijn gedachten zijn ver weg en ik schrik af en toe als er een auto vlak langs me zoeft. Storend. Waarom laten ze me niet met rust? Maar ik leer het wel. Na een half uur verstoort niets mijn gedachten meer en staar ik leeg in het niets. Leeg als het landschap.

Plots voel ik een hand op mijn schouder. Ik laat mijn bordje vallen, draai me half om, pak de pols, draai door, en trek de man naar de grond. Als zijn hoofd bijna de grond raakt zie ik dat ik een wat oudere man in de tang heb. Ik til hem weer omhoog en verontschuldig me. Hij klopt zich af en kijkt me aan. Niet bang, eerder nieuwsgierig. Hij begint te lachen.

"Het is niets,", zegt hij, "ik heb getoeterd, ben toen uitgestapt en ik stond al even achter je toen ik je op je schouder tikte. Je stond raar stil, als bevroren, en je leek te huilen.". Ik voel en mijn wang blijkt inderdaad nat.

"Waar moet u heen?", vraag ik.

"Naar Nîmes", zegt hij. Dat lijkt me een goed uitgangspunt voor de rest van de reis en ik stel voor te vertrekken. Na een laatste blik op mijn verschijning gaat hij me voor naar zijn auto, een CX. Je kunt minder comfortabel reizen. We stappen in en rijden weg. Hij praat veel. Hij heet Thierry Sassard, enchanté, en hij komt terug van een bezoek aan zijn zoon. Hij biedt me aan bij hem thuis te overnachten, ze hebben een slaapbank en zijn vrouw zal het leuk vinden weer eens drie borden voor het ontbijt klaar te zetten. Ik accepteer. Ik ben moe.


Na een uurtje slaap op de slaapbank word ik wakker omdat er iemand aan me trekt. Lodderig trek ik een oog open en zie de vrouw des huizes naast me zitten.

"Hallo, ik ben de vrouw des huizes", zegt ze.

"Dat zou je niet zeggen", zeg ik, waarop ze hard begint te lachen. Dat begrijp ik niet, mijn opmerking sloeg nergens op.

"Kan ik iets voor je doen?", vraag ik, als ik slaperig ben kan ik erg spits uit de hoek komen.

"Ja", zegt ze, "met me naar bed gaan", en begint zich te ontdoen van die kledingsstukken die een dergelijke daad in de weg zouden kunnen zitten. Ik pak haar handen vast om verdere ontkleding te voorkomen en leg haar uit dat ze erg mooi is, en zo, maar dat haar man erg aardig is. Ze maakt zich los en gaat weg. Ik draai me om en val prompt weer in slaap.

De volgende ochtend bij het ontbijt kijkt de vrouw me af en toe besmuikt aan om vervolgens in een hoog gegiechel uit te barsten. Ik voel me niet op mijn gemak en ben blij als mijn liftgever opstaat.

"En wat ga je nu doen?", vraagt hij.

"Verder naar het zuiden liften".

"Dan breng ik je naar de oprit van de snelweg."

Ik verzamel mijn eigendommen en volg hem naar de auto. Onderweg zegt hij niet veel. Het is maar een korte rit en als we er zijn tilt hij mijn rugzak voor me uit de auto.

"Mijn vrouw is vannacht bij je geweest hè?"

"Ja." O jee.

"En je hebt haar afgewezen."

"Ja, het leek me voor u allemaal niet zo prettig."

"Ben je gek, ik had haar juist gestuurd."

Hij drukt me de hand, stapt in en rijdt weg. Verbijsterd kijk ik hem na. Naja. Ik pak een stuk karton uit mijn rugzak en schrijf er "Nice" op. Ik steek het uit en na tien minuten stopt er een Volvo. Ik draaf naar de auto toe, mensen stellen gretigheid op prijs, en steek mijn hoofd door het raam. Een dame.

"Goedendag, waar moet u naartoe?", vraag ik. Ze wijst op mijn bordje en zegt "Nice". Een mazzeltje. Ik stap in en we rijden weg. Ze zegt weinig en rijdt geconcentreerd.

"Kunt u zich voorstellen dat alle geneuk ervaringen oplevert die het niet halen bij het simpelweg vasthouden van een meisje in Utrecht, met mijn neus in haar haar?" vraag ik, tenslotte is zij een vrouw en die hebben verstand van dat soort dingen.

"Waar ligt dat, Utrecht?", vraagt ze.

"In Nederland", zeg ik, en besluit de rest van de rit maar te zwijgen. Halverwege de middag komen we aan in Nice. Ik bedank haar beleefd, stap uit en ga een camping zoeken. Vinden ho maar; dan maar een hotel. Ik vind er een met airconditioning. Verbluffend hoe hotelpersoneel na het trekken van een American Express kaart volledig langs een in eerste instantie argwanend bekeken rugzak weet heen te kijken. Nadat ik de kofferdraagpersoon met een kleine fooi de deur uit heb gewerkt trek ik mijn schoenen uit en ga op bed liggen. Dit is het niet helemaal. Ik sta op en kijk uit het raam. Shit, wat een hoop mensen. Morgen moet ik hier weg.


This page was created by Oscar den Uijl, oscar@den-uijl.nl